Hoe tabellen/figuren lezen?
Bijvoorbeeld: In PC 318 werkt 85% van de vrouwen deeltijds, terwijl dit gemiddeld in Vlaanderen 52,9% bedraagt.
Bijvoorbeeld: In PC 318 werkt 85% van de vrouwen deeltijds, terwijl dit gemiddeld in Vlaanderen 52,9% bedraagt.
Arbeidsplaatsen (loontrekkende jobs) zijn de tijdens de referteperiode vervulde arbeidsplaatsen bij de in het Vlaams Gewest gevestigde ‘productie-eenheden’. Hier worden enkel de jobs geteld die in loonverband worden uitgevoerd. Het aantal loontrekkende arbeidsplaatsen in het Vlaams Gewest kennen we via de gedecentraliseerde RSZ-statistieken.
De gedecentraliseerde RSZ-statistieken (of statistieken naar werkplaats) omvatten alle loontrekkende jobs die op een bepaald ogenblik (30 juni en 31 december) geteld worden bij de RSZ én bij de DIBISS (de dienst voor bijzondere sociale zekerheidstelsels). De aangiften (via dmfa) van personeelsstaten door werkgevers aan RSZ en DIBISS is juridisch en administratief omkaderd.
Het aantal arbeidsplaatsen in het Vlaams Gewest kan ingedeeld worden naargelang de aard van de activiteit die de arbeidsplaats vervult. Deze indeling naargelang de activiteit kennen we beter als de indeling naar sector. De indeling naar activiteitssector gebeurt volgens een internationaal vastgelegd classificatiesysteem, de zogenaamde NACE-classificatie. Deze NACE-classificatie is bijzonder gedetailleerd. Ze werd in 2008 vernieuwd.
In de gepubliceerde statistieken wordt de activiteitssector op grote lijnen gegeven (1-digit). Er zijn 3 ‘sectoren’, die nauw aanleunen bij de activiteiten in de Vlaamse social profit:
Om evenwel een volledig beeld te krijgen van de activiteiten in de Vlaamse social profit moeten de activiteiten op een meer gedetailleerd niveau ingedeeld worden. Dit is de ‘subsector’. Zo zijn er bepaalde activiteiten binnen de sector kunst, amusement en recreatie, die niet tot de activiteiten van de social profit behoren (bv. loterijspelen). Maar er zijn ook activiteiten die vervat zitten in andere sectoren, die wel degelijk tot de social profit behoren. Deze situatie doet zich vooral voor in de socioculturele sector. Vandaar dat Verso, in overleg met haar koepelverenigingen, een gedetailleerde indeling heeft gemaakt van de activiteitensectoren die de Vlaamse social profit omvatten.
Het aantal vestigingen in het Vlaams Gewest kan ingedeeld worden naargelang de aard van de activiteit die de vestiging vervult. Deze indeling naargelang de activiteit kennen we beter als de indeling naar sector. De indeling naar activiteitssector gebeurt volgens een internationaal vastgelegd classificatiesysteem, de zogenaamde NACE-classificatie. Deze NACE-classificatie is bijzonder gedetailleerd. Ze werd in 2008 vernieuwd.
In de gepubliceerde statistieken wordt de activiteitssector op grote lijnen gegeven (1-digit). Er zijn 3 ‘sectoren’, die nauw aanleunen bij de activiteiten in de Vlaamse social profit:
Om evenwel een volledig beeld te krijgen van de activiteiten in de Vlaamse social profit moeten de activiteiten op een meer gedetailleerd niveau ingedeeld worden. Dit is de ‘subsector’. Zo zijn er bepaalde activiteiten binnen de sector kunst, amusement en recreatie, die niet tot de activiteiten van de social profit behoren (bv. loterijspelen). Maar er zijn ook activiteiten die vervat zitten in andere sectoren, die wel degelijk tot de social profit behoren. Deze situatie doet zich vooral voor in de socioculturele sector. Vandaar dat Verso, in overleg met haar koepelverenigingen, een gedetailleerde indeling heeft gemaakt van de activiteitensectoren die de Vlaamse social profit omvatten.
Vestigingen zijn de ‘productie-eenheden’ met minstens 1 personeelslid die tijdens de referteperiode actief waren en in het Vlaams Gewest. De gedecentraliseerde RSZ-statistieken (of statistieken naar werkplaats) omvatten alle vestigingen die om de zes maanden geteld worden bij de RSZ én bij de DIBISS (de dienst van bijzondere sociale zekerheidsstelsels). De telling is gebaseerd op de Kruispuntbank Ondernemingen (KBO), waarin elke vestigingseenheid een uniek nummer krijgt. Dus niet de onderneming wordt geteld, maar alle exploitatiezetels waarover ze beschikt.
Het aantal arbeidsplaatsen in het Vlaams Gewest kan ingedeeld worden naargelang de aard van de activiteit die de arbeidsplaats vervult. Deze indeling naargelang de activiteit kennen we beter als de indeling naar sector. De indeling naar activiteitssector gebeurt volgens een internationaal vastgelegd classificatiesysteem, de zogenaamde NACE-classificatie. Deze NACE-classificatie is bijzonder gedetailleerd. Ze werd in 2008 vernieuwd.
In de gepubliceerde statistieken wordt de activiteitssector op grote lijnen gegeven (1-digit). Er zijn 3 ‘sectoren’, die nauw aanleunen bij de activiteiten in de Vlaamse social profit:
Medewerkers (loontrekkenden, woonachtig in Vlaanderen, die via dmfa gekend zijn bij de RSZ) kunnen worden ingedeeld volgens het paritair comité waaronder hij/zij werkzaam is. Voor de social profit weerhouden we 7 paritaire comités:
PC 318: Diensten voor gezins-en bejaardenhulp
PC 319: Opvoedings-en huisvestingsinrichtingen en –diensten
PC 327: Beschutte en sociale werkplaatsen
PC 329: Socioculturele sector
PC 330: Gezondheidsinrichtingen en -diensten
PC 331: Vlaamse welzijns- en gezondheidssector
PC 337: Non-profit
Tot 2007 werden PC 330 en PC 331 verenigd onder PC 305 (Gezondheidsdiensten).
Met 'medewerker' verwijzen we naar de loontrekkende werknemer, woonachtig in het Vlaams Gewest, ongeacht de plaats van tewerkstelling. Het betreft de loontrekkende werknemer die, via de multifunctionele aangifte (DMFA), wordt aangegeven bij de RSZ. Voor de globale Vlaamse arbeidsmarkt nemen we de werknemers die ressorteren onder DIBISS eveneens mee. Voor 2011- 2016 werd de verdeling deeltijds-voltijds naar geslacht voor de globale arbeidsmarkt geraamd.
Arbeidsregime: deeltijdse medewerkers presteren gemiddeld slechts een gedeelte van de arbeidstijd van een voltijds medewerker in dezelfde vestiging (of dezelfde sector) die dezelfde arbeid uitoefent als de betrokken medewerker. De medewerker in een speciaal arbeidsregime is de medewerker die presteert als seizoensarbeider, interim-werknemer of werknemer met gelimiteerde prestaties (oproep- en dagcontracten, gelegenheidsarbeid).
De omvang van de deeltijdse arbeid wordt ingedeeld in categorieën naargelang het aantal uren dat men presteert ten opzichte van een voltijdse prestatie. Een ‘kleine deeltijdse’ is minder dan 46% van een voltijdse prestatie en een ‘grote deeltijdse’ is meer dan 55% van een voltijdse prestatie.
Bijvoorbeeld: In PC 318 werkt 2,9% van de deeltijdse medewerkers in kleine deeltijds arbeidsregime, terwijl dit gemiddeld in Vlaanderen 9,2% bedraagt.
Met medewerker verwijzen we naar de loontrekkende werknemer, woonachtig in het Vlaams Gewest, ongeacht de plaats van tewerkstelling. Het betreft de loontrekkende werknemer die, via de multifunctionele aangifte (DMFA), wordt aangegeven bij de RSZ. Werknemers waaraan geen paritair comité is toegekend, worden hier buiten beschouwing gelaten. We werken hier met de interactieve toepassing van het datawarehouse, wat impliceert dat loontrekkenden die gekend zijn bij de RSZ, maar die tevens een zelfstandige/helpers activiteit uitoefenen niet worden meegenomen.
Zoals hoger vermeld worden ook de medewerkers die niet tot een paritair comité behoren (vooral medewerkers werkzaam in de publieke diensten) niet meegenomen. Dit verklaart het verschil met de “zuivere rsz-gegevens” op 30 juni voor het totaal op de Vlaamse arbeidsmarkt.
De KSZ heeft een unieke koppeling met de Rijksregistergegevens en de gegevens van de loontrekkenden. Binnen de Belgen kunnen we de “nieuwe Belgen” onderscheiden. De nieuwe Belgen definiëren we hier als de medewerkers met een actuele Belgische nationaliteit, maar die bij geboorte (eerste nationaliteit) een andere dan de Belgische nationaliteit bezaten.
De medewerkers met een niet-Belgische nationaliteit worden opgedeeld in:
De term ‘medewerker’ verwijst naar alle loontrekkende werknemers die in het Vlaams Gewest wonen. Het verschil met arbeidsplaatsen is dus dat de plaats van tewerkstelling van de ‘medewerker’ niet gekend is. Hij of zij kan in Vlaanderen, Brussel, Wallonië of in het buitenland werken. Het gaat hier enkel over de loontrekkende werknemers die zijn aangegeven bij de RSZ. Werknemers die ressorteren onder DIBISS (voorheen RSZ-PPO) worden hier buiten beschouwing gelaten.
Het aantal medewerkers kan ook worden uitgedrukt naar voltijdsequivalenten (vte). Hierbij wordt uitgegaan van een telling van de arbeidsprestaties van de medewerker, gekoppeld aan het arbeidsvolume. Iemand die halftijds werkt, wordt slechts meegeteld voor de helft van een voltijdsequivalent.
Medewerkers tussen 35 en 45 jaar hebben in de social profit recht op 5 arbeidsvrijstellingsdagen. Tussen 45 en 49 jaar hebben ze recht op 12 dagen. Tussen 50 en 54 jaar worden dat 24 dagen en vanaf 55 jaar 36 dagen.
In PC 319 heeft men 2 bijkomende dagen vrij te kiezen. Deze kennen we hier toe aan de medewerkers jonger dan 35. In PC 330 geniet niet elke medewerker van arbeidsvrijstellingsdagen. Vooralsnog rekenen we echter alsof iedereen in PC 330 dit recht heeft. Zodra we over meer info beschikken over het percentage medewerkers dat valt onder de regeling zullen we dit toepassen. In PC 327 ligt het aantal arbeidsvrijstellingsdagen tussen 45 en 55 jaar op 7 en vanaf 55 jaar op 8. Sinds 2019 wordt het aantal dagen in dit PC 9 dagen voor de 55- tot 57-jarigen en 10 dagen voor de 58-plussers.
Het aantal arbeidsvrijstellingsdagen in functie van vte is de som van de producten van aantal voltijdsequivalenten per leeftijdscategorie en de overeenkomstige arbeidsvrijstellingsdagen.
Medewerkers (loontrekkenden, woonachtig in Vlaanderen, die via dmfa gekend zijn bij de RSZ) kunnen worden ingedeeld volgens het paritair comité waaronder hij/zij werkzaam is. Voor de social profit weerhouden we 7 paritaire comités:
PC 318: Diensten voor gezins- en bejaardenhulp
PC 319: Opvoedings-en huisvestingsinrichtingen en -diensten
PC 327: Beschutte en sociale werkplaatsen
PC 329: Socioculturele sector
PC 330: Gezondheidsinrichtingen en -diensten
PC 331: Vlaamse welzijns- en gezondheidssector
PC 337: Non-profit
Tot 2007 werden PC 330 en PC 331 verenigd onder PC 305 (Gezondheidsdiensten).
Via Hermreg, dit is een regionaal en sectoraal macro-economisch model, worden de belangrijkste resultaten van de middellangetermijnvooruitzichten die het Planbureau jaarlijks voor België publiceert, regionaal opgesplitst. Deze jaarlijkse macro-economische vooruitzichten voor België trachten via een hele batterij economische indicatoren een beeld te geven van de economische ontwikkeling in België.
Vertrekkend van deze economische prognoses wordt eveneens een projectie gemaakt van de vooruitzichten op de arbeidsmarkt, waarbij rekening wordt gehouden met de impact van arbeidsmarktmaatregelen, met de demografische evolutie van de bevolking op beroepsactieve leeftijd en met de evolutie van de werkgelegenheid in het verleden. Deze studie van het Planbureau wordt vervolgens uitgewerkt per regio.
Zo krijgen we een vooruitberekening van de binnenlandse loontrekkende werkgelegenheid in het Vlaams Gewest voor de volgende zes jaar. Het gaat hier over de loontrekkenden die werken in het Vlaams Gewest (RSZ en RSZPPO + een reeks correcties m.b.t wijwerkers, studenten en grensarbeiders). Zoals gezegd is de arbeidsmarktprognose gebaseerd op economische vooruitzichten. De impact van bijvoorbeeld de toegenomen zorgvraag als gevolg van de vergrijzing wordt niet meegenomen in de projecties.
Hermreg analyseert 13 bedrijfstakken, gebaseerd op een hergroepering van de NACE-BEL. We geven hier de cijfers voor de bedrijfstak ‘gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening’ (Nace 86-87-88), zoals deze terug te vinden zijn via de tabellen van de nationale bank. Voor de prognose van de “socioculturele sector” (Nace 90-94) vetrekken we van de gegevens in deze sector in december 2020 volgens de RSZ-gedecentraliseerde statistieken van arbeidsplaatsen en passen hierop het groeipercentage van de prognose in de “gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening” toe.
De Vlaamse aanmoedigingspremie social profit is een premie van de Vlaamse overheid die aanvullend bij de federale premie wordt toegekend als men aan bepaalde voorwaarden voldoet en als de premie op een correcte manier wordt aangevraagd. Onder volgende voorwaarden heeft men recht op de premie:
Er bestaat een apart stelsel aanmoedigingspremies social profit. Hiermee wordt verwezen naar de private organisaties (in het Vlaamse Gewest en Vlaamse organisaties in Brussel) die vallen onder het toepassingsgebied van het Vlaams Intersectoraal Akkoord van de socialprofitsector 2005-2011. De organisaties moeten ofwel behoren tot de Vlaamse gezondheids- en welzijnssector en Vlaamse subsidies ontvangen ofwel tot de Vlaamse socioculturele sector. De meeste organisaties die behoren tot de paritaire comités 318, 319, 329, 327 en 331 voldoen aan deze voorwaarden. Medewerkers uit PC 327 die niet behoren tot het omkaderingspersoneel, hebben alleen recht op de aanmoedigingspremie landingsbaan. Voor alle andere premies worden ze beschouwd als werknemers van de privésector.
Medewerkers (loontrekkenden, woonachtig in Vlaanderen, die via dmfa gekend zijn bij de RSZ) kunnen worden ingedeeld volgens het paritair comité waaronder hij/zij werkzaam is. Voor de social profit weerhouden we 7 paritaire comités:
PC 318: Diensten voor gezins- en bejaardenhulp
PC 319: Opvoedings-en huisvestingsinrichtingen en -diensten
PC 327: Beschutte en sociale werkplaatsen
PC 329: Socioculturele sector
PC 330: Gezondheidsinrichtingen en -diensten
PC 331: Vlaamse welzijns- en gezondheidssector
PC 337: Non-profit
Tot 2007 werden PC 330 en PC 331 verenigd onder PC 305 (Gezondheidsdiensten).
De sector van de onderneming die de job aanbiedt is gebaseerd op de NACE-indeling van activiteitssector (versie 2003). Volgende sectoren kunnen worden onderscheiden: Gezondheidszorg (851), Maatschappelijke dienstverlening (853) en Ontspanning, cultuur en sport (923, 925, 926 en 927).
Knelpuntberoepen zijn die beroepen waarvan vacatures moeilijker ingevuld worden en die zich gewoonlijk kenmerken door langere looptijden en lagere vervullingspercentages (verhouding tussen aantal vervulde en afgehandelde vacatures) dan mediaan. Op basis van statistische wegingen wordt er jaarlijks een potentiële lijst opgesteld, die vervolgens besproken wordt door (sectorale) arbeidsmarktspecialisten. Het eindresultaat voor 2023 (gepubliceerd in de lijst met knelpuntberoepen 2024) is een lijst met 241 knelpuntberoepen.Dit zijn 7 knelpuntberoepen meer dan vorig jaar. Nieuw is bijvoorbeeld de hulpverlener-ambulancier en de orthopedisch technoloog. Hiermee blijft het aantal knelpuntberoepen stijgen (in 2017 waren er 161).Na de bepaling van de lijst knelpuntberoepen worden de beroepen waarvoor het moeilijkst een geschikte kandidaat gevonden wordt afgebakend via een strengere selectie op basis van statistische indicatoren. Deze beroepen zijn de hardnekkige/prioritaire knelpuntberoepen. Dit wil echter niet zeggen dat alle vacatures voor niet-knelpuntberoepen zonder problemen in te vullen zijn, zeker niet in een krappe arbeidsmarkt zoals we die nu kennen.
Voor de (exhaustieve) lijst van knelpuntberoepen gaan we na hoeveel vacatures er werden ontvangen in een jaar volgens sector, gebaseerd op de NACE-indeling van activiteitensector, versie 2003. Volgende sectoren kunnen worden onderscheiden : gezondheidszorg (851), maatschappelijke dienstverlening (853) en ontspanning, cultuur en sport (923, 925, 926 en 927). We weerhouden enkel de knelpuntberoepen met minstens 100 ontvangen vacatures en met een aandeel van meer dan 10% in de social profit.
Knelpuntberoepen zijn die beroepen waarvan vacatures moeilijker ingevuld worden en die zich gewoonlijk kenmerken door langere looptijden en lagere vervullingspercentages (verhouding tussen aantal vervulde en afgehandelde vacatures) dan mediaan. Op basis van statistische wegingen wordt er jaarlijks een potentiële lijst opgesteld, die vervolgens besproken wordt door(sectorale) arbeidsmarktspecialisten. Het eindresultaat voor 2023 (gepubliceerd in de lijst met knelpuntberoepen 2024) is een lijst met 241 knelpuntberoepen. Dit zijn 7 knelpuntberoepen meer dan vorig jaar. Nieuw is bijvoorbeeld de hulpverlener-ambulancier en de orthopedisch technoloog. Hiermee blijft het aantal knelpuntberoepen stijgen (in 2017 waren er 161).Na de bepaling van de lijst knelpuntberoepen worden de beroepen waarvoor het moeilijkst een geschikte kandidaat gevonden wordt afgebakend via een strengere selectie op basis van statistische indicatoren. Deze beroepen zijn de hardnekkige/prioritaire knelpuntberoepen. Dit wil echter niet zeggen dat alle vacatures voor niet-knelpuntberoepen zonder problemen in te vullen zijn, zeker niet in een krappe arbeidsmarkt zoals we die nu kennen.
In 2012 telde VDAB nog 205 knelpuntberoepen. Deze vermindering houdt verband met de nieuwe beroepen indeling die VDAB hanteert sinds januari 2013. Sindsdien maakt VDAB gebruik van de deCompetentfiches van de SERV en de daarin bepaalde “beroepenselectie, beroepenbenaming, beroepenomschrijving en beroepenstructuur.
In 2014 werd een nieuwe statistische methodiek ingevoerd. Na de bepaling van de lijst knelpuntberoepen worden de beroepen waarvoor het moeilijkst een geschikte kandidaat gevonden wordt afgebakend via een strengere selectie op basis van statistische indicatoren. Deze beroepen zijn de hardnekkige/prioritaire knelpuntberoepen. In de social profit betreft het de kinesitherapeuten en de verpleegkundigen.Dit wil echter niet zeggen dat alle vacatures voor niet-knelpuntberoepen zonder problemen in te vullen zijn, zeker niet in een krappe arbeidsmarkt zoals we die nu kennen.
De spanningsindicator meet de krapte op de arbeidsmarkt. Hij geeft de verhouding weer tussen het aantal werkzoekenden en het aantal beschikbare vacatures. Als deze verhouding groot is verloopt het invullen van de jobs vlotter. Met de vereisten van de vacatures en de eigenschappen van de werkzoekenden houdt de spanningsindicator geen rekening. Uit het getal alleen kunnen nauwelijks conclusies getrokken worden.
Voor de (exhaustieve) lijst van knelpuntberoepen gaan we na hoeveel vacatures er werden ontvangen in een jaar volgens sector, gebaseerd op de NACE-indeling van activiteitensector, versie 2003. Volgende sectoren kunnen worden onderscheiden : gezondheidszorg (851), maatschappelijke dienstverlening (853) en ontspanning, cultuur en sport (923, 925, 926 en 927). We weerhouden enkel de knelpuntberoepen met minstens 100 ontvangen vacatures en met een aandeel van meer dan 9% in de social profit.
De werkloosheid in Vlaanderen wordt geïndiceerd via het aantal werkzoekenden zonder werk die de VDAB op het eind van de maand telt (ingeschreven bij VDAB). Deze werkzoekenden zonder werk omvatten een reeks deel categorieën : de werkzoekenden met een uitkering, de jongeren in beroepsinschakelingstijd, de vrij ingeschreven werkzoekenden en andere verplicht ingeschrevenen (bv werkzoekenden ten laste van OCMW, geschorsten, werkzoekenden met RIZIV-uitkering,..).
De werkzoekenden zonder werk worden vanaf januari 2017 verder ingedeeld volgens hun bemiddelingsstatus :1) in bemiddeling, 2) in opleiding of voortraject, of 3) niet inzetbaar op lange termijn. Voor de statistieken naar beroep worden enkel de werkzoekenden zonder werk die in bemiddeling zijn weerhouden. De werkzoekenden zonder werk, in bemiddeling maken gebruik van de bemiddelende dienstverlening van VDAB online, telefonisch of in persoon. Sommigen gaan zelfstandig op zoek naar werk met online dienstverlening, terwijl anderen geholpen worden door sectorale teams of intensieve dienstverlening krijgen waar meer tijd over gaat. Ze participeren niet aan een opleiding of voortraject, en er zijn geen indicaties dat ze niet inzetbaar zijn op lange termijn.
De werkzoekenden worden ingedeeld volgens beroep(sgroep). Deze wordt toegekend op basis van wat de werkzoekende als “beroep” kan en wil uitoefenen. Dit houdt in dat wordt rekening gehouden met zowel de studies, het beroepsverleden als de aspiraties van de werkzoekende. De mogelijkheid is voorzien om in verschillende beroepen te worden ingeschreven. Dit impliceert dat er meer beroepsaspiraties worden geteld dan dat er effectief werkzoekenden zijn. Sedert januari 2013 werkt VDAB bij de beroepenindeling in werkzoekendendossiers en in vacatures met de Competentfiches van de SERV en de daarin bepaalde “beroepenselectie, beroepenbenaming, beroepenomschrijving en beroepenstructuur.
Sinds juli 2021 wordt de werkloosheid in Vlaanderen geïndiceerd via het aantal burgers zonder job die zich als werkzoekenden bij de VDAB hebben ingeschreven (geteld op het eind van de maand). Deze definitie hanteren we hier voor alle gegevens vanaf 2019.
Voor de oudere gegevens (voor 2019) gaan we uit van de definitie van 'niet-werkende werkzoekenden' die 4 categorieën omvat: de werkzoekenden met een uitkering, de jongeren in wachttijd, de vrij ingeschreven werkzoekenden en andere verplicht ingeschrevenen (bv. werkzoekenden ten laste van OCMW, geschorsten, werkzoekenden in deeltijds onderwijs).
De verschillen tussen beide indiceringen van werkloosheid zijn vrij beperkt. Dit betekent dat tijdreeksen niet volledig vergelijkbaar zijn, maar wel een vrij goede indicatie geven van de evoluties.
Werkloosheid is geen statisch gegeven. Maandelijks stromen duizenden personen in en uit de werkloosheid. Hier geven we de maandelijkse uitstroom uit de werkloosheid naar werk op basis van het jaargemiddelde. De VDAB-gegevens laten toe om deze uitstroomgegevens naar sector en naar kenmerken van de werkzoekenden te ontsluiten.
De sector van de onderneming die de job aanbiedt is gebaseerd op de NACE-indeling van activiteitssector (versie 2003). Volgende sectoren kunnen worden onderscheiden: Gezondheidszorg (851), Maatschappelijke dienstverlening (853) en Ontspanning, cultuur en sport (923, 925, 926 en 927).
De werkbaarheidsmonitor 2019 had een netto-responspercentage van 36%, wat ruim voldoende is om een betrouwbare representativiteit van de steekproef te garanderen. De respondenten vinken aan in welke sector ze werken, zodat de resultaten kunnen worden opgedeeld naar sectoren. De minimumdrempel van de steekproefomvang voor de sectoren lag op 200 eenheden. Deze minimumdrempel laat toe om in 2019 betrouwbare uitspraken te doen over de werkbaarheid in de volgende socialprofitsectoren:
Voor de sectoren sociaal-cultureel werk, maatwerkbedrijven, kinderopvang en centra voor geestelijke gezondheidszorg werd de minimumgrenswaarde niet bereikt. Deze sectoren werden in deze reeks niet opgenomen.
Kwaliteit van de arbeid komt tot stand in een context waarin een hele reeks factoren een rol spelen. De vragenlijst meet eveneens een aantal kenmerken van de werkplek, die al dan niet een risico inhouden voor de werkbaarheid. Dit zijn de zogenaamde werkbaarheidsrisico’s:
Per werkbaarheidsrisico wordt aangegeven wat het percentage van de Vlaamse werknemers is, dat aangeeft dat dit risico problematisch is in zijn/haar job.
Kwaliteit van de arbeid komt tot stand in een context waarin een hele reeks factoren een rol spelen. De vragenlijst meet eveneens een aantal kenmerken van de werkplek, die al dan niet een risico inhouden voor de werkbaarheid. Dit zijn de zogenaamde werkbaarheidsrisico’s:
Per werkbaarheidsrisico wordt aangegeven wat het percentage van de Vlaamse werknemers is, dat aangeeft dat dit risico problematisch is in zijn/haar job.
De werkbaarheidsmonitor 2019 had een netto-responspercentage van 36%, wat ruim voldoende is om een betrouwbare representativiteit van de steekproef te garanderen. De respondenten vinken aan in welke sector ze werken, zodat de resultaten kunnen worden opgedeeld naar sectoren. De minimumdrempel van de steekproefomvang voor de sectoren lag op 200 eenheden. Deze minimumdrempel laat toe om in 2019 betrouwbare uitspraken te doen over de werkbaarheid in de volgende socialprofitsectoren:
Voor de sectoren sociaal-cultureel werk, maatwerkbedrijven, kinderopvang en centra voor geestelijke gezondheidszorg werd de minimumgrenswaarde niet bereikt. Deze sectoren werden in deze reeks niet opgenomen.
Op basis van een koppeling op ondernemingsniveau met RSZ-data kunnen alle sectoren worden gedetecteerd waarin een bepaalde onderneming actief is. Het Steunpunt WSE baseert zich hiervoor op de werkgelegenheidscijfers van de RSZ per onderneming, opgesplitst naar NACE-sector van de verschillende bedrijfsvestigingen van die onderneming. Vervolgens wordt een proportionele verdeelsleutel toegepast om de sociale-balansgegevens van een onderneming die actief is in meerdere NACE-sectoren, proportioneel te verdelen over die sectoren, conform de spreiding van haar werknemerspopulatie in de RSZ-data. Op basis van een koppeling op ondernemingsniveau met RSZ-data worden de sociale balansgegevens van multiregionale ondernemingen proportioneel verdeeld over de gewesten, conform de spreiding van de werkgelegenheid voor die onderneming bij RSZ.
Volgende opleidingsindicatoren worden weerhouden:
De opleidingsparticipatie wordt bekomen door het aantal opgeleide werknemers te delen door het gemiddeld aantal werknemers tijdens het boekjaar.
Opmerking: deelname aan formele of informele opleiding wordt in de sociale balans afzonderlijk geregistreerd en eenzelfde werknemer kan tijdens een boekjaar zowel hebben deelgenomen aan formele als informele opleiding. Om dubbeltellingen te vermijden, kan de opleidingsparticipatie daarom enkel berekend worden voor de opleidingsvormen apart.
Een tweede indicator drukt de opleidingsuren uit in percentage van de gewerkte uren. Deze indicator drukt met andere woorden uit hoe groot het aandeel van de totale werkduur is dat wordt besteed aan opleiding van werknemers.
De gemiddelde opleidingsduur zet het aantal gevolgde opleidingsuren af tegenover het aantal deelnemers in de vormingsondernemingen.
Opmerking: deelname aan formele of informele opleiding wordt in de sociale balans afzonderlijk geregistreerd en eenzelfde werknemer kan tijdens een boekjaar zowel hebben deelgenomen aan formele als informele opleiding. Om dubbeltellingen te vermijden, kan de gemiddelde opleidingsduur daarom enkel berekend worden voor de opleidingsvormen apart.
De jaarlijkse opleidingsverwachting wordt bekomen door het aantal gevolgde opleidingsuren te delen door het gemiddeld aantal werknemers tijdens het boekjaar. Deze indicator geeft dus een aanduiding van hoeveel opleiding een werknemer gemiddeld genomen op jaarbasis kan verwachten.
Onder formele opleidingsinitiatieven vallen de door lesgevers gegeven cursussen en stages die gekenmerkt worden door een hoge graad van organisatie door de opleider of opleidingsinstelling. Ze worden georganiseerd in een duidelijk van de werkplek gescheiden lokaal en richten zich tot een groep cursisten. Vaak wordt er een attest uitgedeeld om aan te tonen dat de opleiding gevolgd werd.
De informele opleiding wordt gekenmerkt door een hoge graad van zelforganisatie door de cursist(en). De tijd, plaats en inhoud worden bepaald door de individuele behoeften van de cursist. De opleidingen houden rechtstreeks verband met het werk en de werkplek
De WSE-raming voor het Vlaams Gewest werd opgesplitst naar een reeks Wav-sectoren gebaseerd op de NACE-classificatie (2008). Er zijn 3 'sectoren', die nauw aanleunen bij de activiteiten in de Vlaamse social profit: menselijke gezondheidszorg (nace 86), maatschappelijke dienstverlening (nace 87-88) en cultuur, ontspanning en sport (nace 90-91-92-93).
Voor een gedetailleerde verdieping van de WSE-methodologie zie Soubron M. en Herremans W. (2014) “De Vormingsinspanning in Vlaamse bedrijven belicht . Een analyse op basis van gereionaliseerde sociale balansgegevens”, in: Over; Werk. Tijdschrift van het Steunpunt WSE, 24 (2), 80-88. Leuven , Acco.
We maken hier een selectie van de studiegebieden en -richtingen die nauw aanleunen bij de social profit (vooral gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening) en hier redelijkerwijs ook op aansluiten.
Met medewerker verwijzen we naar de loontrekkende werknemer, woonachtig in het Vlaams Gewest, ongeacht de plaats van tewerkstelling. Het betreft de loontrekkende werknemer die, via de multifunctionele aangifte (DMFA), wordt aangegeven bij de RSZ. Voor de totale Vlaamse arbeidsmarkt nemen we hier ook de DIBISS-gegevens mee.
Met multi-job wordt verwezen naar een loontrekkende medewerker die meer dan één loontrekkende job heeft (minstens twee arbeidscontracten) of de loontrekkende job combineert met een activiteit als zelfstandige/helper. In het laatste geval wordt er een onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de loontrekkende activiteit de belangrijkste activiteit is en deze waarin de activiteit van zelfstandige/helper de belangrijkste activiteit uitmaakt.
Medewerkers (loontrekkenden, woonachtig in Vlaanderen, die via dmfa gekend zijn bij de RSZ) kunnen worden ingedeeld volgens het paritair comité waaronder hij/zij werkzaam is. Voor de social profit weerhouden we 7 paritaire comités:
PC 318: Diensten voor gezins-en bejaardenhulp
PC 319: Opvoedings-en huisvestingsinrichtingen en –diensten
PC 327: Beschutte en sociale werkplaatsen
PC 329: Socioculturele sector
PC 330: Gezondheidsinrichtingen en -diensten
PC 331: Vlaamse welzijns- en gezondheidssector
PC 337: Non-profit
Tot 2007 werden PC 330 en PC 331 verenigd onder PC 305 (Gezondheidsdiensten).
Met medewerker verwijzen we naar de loontrekkende werknemer, woonachtig in het Vlaams Gewest, ongeacht de plaats van tewerkstelling. Het betreft de loontrekkende werknemer die, via de multifunctionele aangifte (DMFA), wordt aangegeven bij de RSZ. Voor de totale Vlaamse arbeidsmarkt nemen we hier ook de DIBISS-gegevens mee.
Het huishoudtype wordt aangeleverd door de Bevolkingsstatistieken op 1 januari van de Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie , het vroegere NIS, op basis van Rijksregistergegevens. De volgende huishoudtypes worden onderscheiden: gehuwden met kinderen en zonder kinderen, ongehuwden (samenwonenden) met en zonder kinderen, éénoudergezinnen, alleenstaanden en collectieve huishoudens.
Medewerkers (loontrekkenden, woonachtig in Vlaanderen, die via dmfa gekend zijn bij de RSZ) kunnen worden ingedeeld volgens het paritair comité waaronder hij/zij werkzaam is. Voor de social profit weerhouden we 7 paritaire comités:
PC 318: Diensten voor gezins-en bejaardenhulp
PC 319: Opvoedings-en huisvestingsinrichtingen en –diensten
PC 327: Beschutte en sociale werkplaatsen
PC 329: Socioculturele sector
PC 330: Gezondheidsinrichtingen en -diensten
PC 331: Vlaamse welzijns- en gezondheidssector
PC 337: Non-profit
Tot 2007 werden PC 330 en PC 331 verenigd onder PC 305 (Gezondheidsdiensten).