U bent hier

Alternatieve woonvormen geestelijke gezondheidszorg

4- 04- 2019
team_proeftuin_zorgdorpen.jpg
Tussen 2015 en 2018 liep er een proefproject in Oost-Vlaanderen waarbij socialprofitorganisaties uit verschillende sectoren samen met CAW’s personen met een psychiatrische problematiek probeerden toe te leiden naar inclusieve woonvormen in een dorp of stad. De vzw Zorgdorpen trok het project, dat uiteindelijk 66 mensen vanuit een geïnstitutionaliseerde omgeving kon overbrengen naar een vorm van begeleid wonen. HRwijs sprak met Geert Stroobant, coördinator van Zorgdorpen.
 

Waarin was dit project uniek?

“Vanuit vier partnerorganisaties hebben we een nieuw team samengesteld met medewerkers die elk een deel van de benodigde expertise konden aandragen. Dit was dus echt een vergevorderde vorm van intersectorale samenwerking, waarbij ook onze medewerkers een grote sprong in het diepe hebben gewaagd.”
 

Waarom was het nodig om vanuit verschillende invalshoeken te werken?

“De centrale gedachte die ons leidde was de zoektocht naar een meer inclusieve woonvorm voor mensen met een psychiatrische geschiedenis. Dit zijn mensen die vaak al het hele gamma van hulpverlening hebben gezien: van psychiatrische ziekenhuizen over het OCMW tot het welzijnswerk. Het is daarom belangrijk om vanuit verschillende hoeken knowhow te verzamelen. Door die verschillende perspectieven samen te brengen, krijg je een veel beter zicht op de problematiek van die doelgroep.”
 

Wat waren zo de taken van dit multidisciplinair team?

“De volledige verhuis naar de nieuwe woning nam tien weken in beslag. Dat traject begon met een voorbereidende fase in de psychiatrische voorziening: samen met de cliënt werd er een zorgplan opgesteld, een verhuisplan en natuurlijk ook een financieel plan. De laatste maand bestond uit een intensieve opvolging van de cliënt in zijn nieuwe woonsituatie. Er waren veel praktische zaken die in orde gebracht moesten worden en er werd ook gezocht naar een goede dagbesteding voor de betrokkene.”
 

Wat hebben jullie geleerd van het proefproject?

“Dat elke sector op zijn manier naar zorg kijkt en dat het soms moeilijk is om die verschillende paradigma’s te verzoenen. Natuurlijk was de arbeidswetgeving rond de detachering van al die verschillende medewerkers niet eenvoudig, maar we hebben toch vooral veel tijd gestoken in het afstemmen van een gedeelde visie over zorg. En het team is daar ook wonderwel in geslaagd. Ook al kijkt een verpleegkundige toch heel anders naar zorg dan bijvoorbeeld een opvoeder.”
 

Op welke manier?

“Opvoeders zijn in de eerste plaats handelingsgericht. Zij zijn vooral dingen aan het doen met de cliënt. Mensen die uit het welzijnswerk komen, hebben dan weer geleerd om meer in dialoog te gaan met de cliënt. Ze appelleren vooral op de zelfsturing van de cliënt. Wie in een zorgomgeving werkt, is natuurlijk getraind in procedures die voor meer zorg en veiligheid moeten zorgen. Dat zijn dus drie zienswijzen die niet echt goed samengaan. Je krijgt bijvoorbeeld discussies over hoe snel de permanentie aanwezig moet kunnen zijn als er iets misloopt.”
 

Hoe is het team daar uitgeraakt?

“Door elkaar te leren kennen en heel goed te discussiëren ook. Onder die praktische zaken ligt dikwijls een heel andere manier van kijken. Op het einde van het project hebben we gezien dat het team er toch in geslaagd is om die drie paradigma's te verzoenen. En dat is volgens mij de grote winst van het proeftuinproject gebleken: ze hebben het beste van al die werelden bij elkaar gebracht. Het geloof in de intrinsieke competentie van iedere cliënt, de hands-on-aanpak en de aanklampende zorgende houding hebben samen geleid tot de best mogelijke omkadering voor de cliënt.”
 

Hoe hebben de medewerkers zelf dit proefproject ervaren?

“Ik denk zeer positief. Het moeilijkste was om op het einde afscheid te nemen van het project en terug te gaan naar je oude job. Ik denk dat iedereen zag dat die intersectorale samenwerking echt zeer goed werkte en dan is het natuurlijk moeilijk om het op te geven. Maar dat is nu eenmaal eigen aan een proefproject.”
 

Denkt u dat u dezelfde resultaten zou kunnen behalen met al uw medewerkers?

“Waarschijnlijk niet. Er zijn natuurlijk ook medewerkers die liever binnen de bestaande structuren werken. Zo’n samenwerking vraagt veel flexibiliteit en creativiteit van de medewerkers. Maar als ik zie hoe de mensen in dit team zelf ook geëvolueerd zijn de voorbije drie jaar, dan sluit ik niet uit dat de medewerkers die er nu nog niet klaar voor zijn ook wel zo’n groeiproces kunnen doorlopen.”
 

Welke aanbevelingen richting het beleid neemt u nog mee uit het proefproject?

“Er is natuurlijk een belangrijke financiële component die je eerst moet uitklaren. Binnen de sector voor personen met een handicap werken we met aparte vergoedingen voor woon- en leefkosten. In andere sectoren werkt men vaak met een dagprijs. Ik pleit er zeker ook voor dat de cliënten zelf voldoende leefloon en integratiehulp kunnen krijgen.”
 
“Daarnaast bleek het absoluut noodzakelijk dat de cliënten zich konden domiciliëren in de nieuwe woning. Dat is dus vooral een taak voor het lokale bestuur. Het was bijvoorbeeld ook telkens veel werk om de ondersteuning vanuit het OCMW geregeld te krijgen, omdat elk OCMW hier anders werkt. Wat meer uniformiteit op dit vlak zou dus heel wat helpen.”
 
“Tot slot zaten de medewerkers die gedetacheerd werden natuurlijk in verschillende paritaire comités. De ene medewerker kreeg bijvoorbeeld een vergoeding voor permanentie en de andere niet. Als je intersectoraal samenwerkt, is het uiteraard erg storend wanneer je in één team met verschillende arbeidsvoorwaarden moet rekening houden.”
 
Geert Stroobant komt op 15 mei de proeftuin Zorgdorpen voorstellen tijdens ‘De kracht van intersectoraal samenwerken’.